Fatale zelfontplooiing
Danielle Serdijn
Een rommelmarkt op koninginnedag; dat was de sensatie die de verhalenbundel waarmee Marieke Groen twee jaar geleden debuteerde opriep. Alles wat wij in de afgelopen twee decennia hadden weggegooid, werd door Groen afgestoft en opnieuw gebruikt. Of het nu om oude films ging, langspeelplaten, posters van Bono's U2 of funduestellen; met al die afdankertjes bouwde Groen vrolijke retro-decors, die sterk contrastreerden met de ontwikkeling van haar personages.
In Zeven meter onder water wordt ongeveer hetzelfde procédé gevolgd. Opnieuw schetst Groen een beeld van de jaren zeventig: de jongste Osmondtelg is op iedere meisjeskamer te vinden, pedoseksuelen heten nog kinderlokkers, Molukkers kapen de trein bij Wijster en bezetten een school in Bovensmilde, Fred Emmer leest nog het journaal en als bijeffect van de tweede emancipatiegolf in combinatie met de naweeën van de seksuele revolutie noteren we een toename van het aantal echtscheidingen en alternatieve samenlevingsvormen. Ouders lijken in deze periode het spoor totaal bijster. Moeders focussen op hun zelfontplooiing en volgen meditatie- en keramiekcursussen, vaders vertrekken met de noorderzon, en de kinderen? Die moeten zich `volwassen gedragen omdat iemand het toch moet doen.'
In de roman van Groen volgen we drie zussen, Gaia, Isis en Janne. Janne is het produkt van haar moeders zelfontplooiing. Moeder besluit namelijk na de scheiding om nog één keer zwanger te worden. Om `iets helemaal voor zichzelf alleen te hebben'. Een donor levert het zaad, en voilá, na negen maanden is moeder een van de eerste BOM-vrouwen in Nederland.
Bij de buren is het niet veel anders. Ook daar is de vader verdwenen. Zijn plaats wordt tijdelijk ingenomen door moeders nieuwste minnaar. Het jongste kind uit dat gezin fantaseert bevriend te zijn met een sterkere en grotere versie van zichzelf. Zo probeert hij zich te handhaven. Zonder veel succes overigens, zoals later blijkt.
Ook Janne ontwikkelt zich tot een instabiele figuur die zich wanhopig. overgeeft aan een reeks eennachtsliefdes. Groen laat er geen misverstand over bestaan dat Jannes gemis aan die ene, grote, allereerste oerman zich wreekt. Er is een televisieprogramma voor nodig om vader en dochter weer bij elkaar te brengen, hoewel pa nog voor de uitzending opnieuw de benen neemt.
Groen is op haar best wanneer ze luchtige idealen van kinderen laat contrasteren met de heel wat minder luchtige, zeg gerust de volkomen egocentrische, zelfontplooiingsidealen van hun ouders de babyboomgeneratie. Jammer alleen dat de vorm van deze roman nogal opzichtig is. Tot op de helft van het boek heb je daar geen last van, omdat de schrijfster alle verhaallijnen soepel uitzet, het gaat mis op het moment dat Groen ze naar elkaar toe gaat schrijven, dan wordt het geraamte van het boek ineens pijnlijk zichtbaar. Het is dan ook vooral om de kritische inhoud dat we Groen zullen blijven volgen.
